/
/
De boer, de bakker en de bakbrogge

De boer, de bakker en de bakbrogge

Bakker en verhalenverteller Stephen Lenis

Het is stil en donker in Oudega. In het holst van de nacht stapt banketbakker Stephen Lenis bakkerij De Vries binnen. De geur van vanille, kaneel en brood komt hem tegemoet. Vandaag begint Stephen een paar uur eerder, zodat hij in het diepste geheim een idee kan uitproberen. Onlangs hoorde hij in het dorp een verhaal over de bakbrogge. Deze traditionele Friese lekkernij is een tweemaal gebakken beschuit met kaas en een plakje roggebrood erop. Stephen wil die nacht de bakbrogge nieuw leven inblazen…

Stephen: ‘Rond 1900 had je in Oudega wel tien bakkers, en de meeste van hen waren ook boer. Bij een van die bakkers stapte op een dag een oude man de winkel binnen. De bakker kende hem bij zijn bijnaam: Oude Wybren. Wybren was jaren geleden al gestopt met werken. Om rond te komen had hij stukje bij beetje zijn land verkocht. Maar nu was zijn geld op. Hij had nog één perceel over. Het was niet heel vruchtbaar, maar een goede boer kon er vast wel iets van maken. Wybren had berekend dat hij van de opbrengst ongeveer drie jaar eten kon kopen. Maar wat als het geld na drie jaar op was en hij nog leefde? Waar moest hij dan van eten? Hij kon wel honderd worden!

Na een paar nachten piekeren werd hij op een ochtend wakker met een geweldig idee. Snel kleedde hij zich aan, ging naar een bakker en deed hem een bijzonder voorstel: hij gaf de bakker zijn laatste stuk land, en in ruil daarvoor zou hij zolang hij leefde elke dag één bakbrogge krijgen. De bakker aarzelde. Als Oude Wybren inderdaad honderd zou worden, zou het een duur stukje grond worden. Maar hij besloot de gok te wagen. Het land kwam in handen van de bakker en Wybren kreeg zolang hij leefde elke dag een bakbrogge.

In Oudega en de omliggende dorpen ging al snel het verhaal rond over deze verrassende ruil. Stiekem moesten de mensen uit de buurdorpen er wel een beetje om lachen: hoe slecht moest die grond in Oudega wel niet zijn als je hem ruilt tegen beschuit en roggebrood! In die tijd gaf men dorpelingen vaak bijnamen. Zo hadden de bewoners uit Grou de bijnaam tsiisfretters (kaasvreters) en die uit Warga brêgebidlers (bruggenbedelaars). Toen het verhaal van de boer en de bakker bekend werd, kregen de inwoners van Oudega ook een bijnaam: bakbroggen.

Die nacht pakte Stephen een oud receptenboek en bladerde net zolang tot hij het recept voor bakbrogge vond. Hij bakte de beschuit maar één keer, zodat die zacht bleef. Daarna sneed hij hem doormidden, deed er eerst jam op en vervolgens een laag banketbakkersroom. De bovenkant versierde hij met zoete roze fondant, zoals bakkers dat ook gebruiken voor Friese oranjekoek.

Terwijl buiten de zon opkwam, keek Stephen trots naar zijn uitvinding: het zag er smakelijk en feestelijk uit. Maar nu had hij nog een naam nodig. Na schooltijd kwam er vaak een groepje kinderen de bakkerswinkel binnen om iets lekkers te kopen. Stephen liet hen de vernieuwde bakbrogge proeven en vroeg of ze er een naam voor konden verzinnen. Met een mond vol zacht beschuit, jam en room riepen de kinderen van alles door elkaar. De vorm van de lekkernij deed een beetje denken aan een boot, en zo ontstond uiteindelijk de naam: fruitschuitje.

Wie weet eet iedereen over honderd jaar in Fryslân deze lekkernij, en heten de inwoners van Oudega dan geen bakbroggen meer, maar fruitschuitjes.

‘Na een paar nachten piekeren werd hij op een ochtend wakker met een geweldig idee’