Visser en verhalenverteller Ale de Jager
Het is vroeg in de ochtend. De zon is nog maar net op en Ale vaart zijn boot het water op. De
wereld is stil. Hij ruikt de geur van het water en hoort de vogels roepen. Het water is zijn thuis. Als kleine jongen wist Ale al dat hij visser wilde worden, maar dat leek een onmogelijke wens.
Ale: ‘Ik kom uit een familie van jagers en vissers. Mijn opa was altijd in de natuur te vinden en vanaf mijn vierde ging ik met hem mee. Vissen is niet iets dat je uit een boek leert; het wordt doorgegeven. Johannes Postmus was de ervaren visser die mij alles leerde. Vanaf mijn achtentwintigste stapte ik regelmatig bij hem in de boot en bracht hij mij de fijne kneepjes van het vak bij. Ik wilde niets liever dan beroepsvisser worden. Want ook al werkte ik als timmerman, het water bleef trekken.
Toen de Beroepsvisserij Warga een nieuwe vergunning wilde afgeven, was ik er dan ook als de kippen bij. Er waren vijftien gegadigden en tot mijn grote teleurstelling viel ik buiten de boot. Omdat de kans klein is dat je een vergunning krijgt, besloot ik rond mijn vijfendertigste een timmerbedrijf te beginnen. Maar nog steeds ging ik elke zaterdag met Johannes mee om paling te vissen.
De paling is een mysterieuze vis waar we eigenlijk nog maar weinig van weten. Palingen worden geboren in de Sargassozee bij Mexico. De larven drijven met de warme Golfstroom richting Europa. Na ongeveer drie jaar bereiken ze de Europese kusten, dan zijn ze uitgegroeid tot een glasaal van zo’n vijf centimeter lang. Je kunt door hun huid heen kijken, vandaar de naam glasaal. De glasaal trekt naar zoet of brak water, waar hij uitgroeit tot een volwassen aal. Zijn huid is dan groen, maar vanwege zijn rode vinnetjes noemen we hem een rode aal. Zodra de aal geslachtsrijp is, verandert hij in een schieraal. Hij vreet zich helemaal vol, krijgt een dikke zilverkleurige huid en zijn ogen passen zich aan zodat ze tegen het zoute water kunnen.
Door zijn dikke vetlaag hoeft de paling niet meer te eten, en verandert zijn maag-darmkanaal in een geslachtsorgaan. Daarna volgt hij de roep van de Sargassozee. Niemand weet waarom ze juist daarheen zwemmen en hoe ze de weg vinden. Uit onderzoek blijkt dat palingen tijdens hun reis naar de Sargassozee wel zesduizend kilometer afleggen; ze zwemmen gemiddeld zo’n vijfenveertig kilometer per dag. Eenmaal in de Sargassozee planten ze zich voort – dat noemen we paaien. Dit proces is nog nooit door mensen waargenomen, dus we hebben geen idee hoe het precies gaat. Daardoor is paling kweken nog altijd erg lastig. Sommige dingen in de natuur blijven een mysterie.
Net als de paling heb ik een lange weg afgelegd voordat ik mijn bestemming vond. Op mijn tweeënveertigste had ik een goedlopend timmerbedrijf toen er zich onverwachts een tweede kans voordeed om een visvergunning te krijgen. Ik solliciteerde en werd uitgekozen. Ik nam afscheid van mijn timmerbedrijf en werd eindelijk professioneel visser.
Het leven van een visser is fysiek zwaar, maar ook ongelooflijk mooi. Ik stap om half vijf ’s ochtends in mijn boot en vis in diverse gebieden in De Alde Feanen, waaronder de Geeuw, de Folkertssloot en de Grutte Krite. Omdat ik graag mijn liefde voor het vak en de natuur deel, neem ik regelmatig schoolklassen en toeristen mee aan boord. Ik laat de mensen zoveel mogelijk zelf vissen en alles beleven. Ik hoop dat ik door die ervaring respect voor de natuur kan bijbrengen, zodat mensen er zorgvuldiger mee omgaan. Je hoeft tenslotte alleen maar naar het leven van de paling te kijken om te zien hoe bijzonder de natuur is.’
‘Vissen is niet iets dat je uit een boek leert'